Eén minimumtarief onder vuur
De discussie over het minimumtarief voor zelfstandigen krijgt een nieuwe wending. In de conceptplannen rond de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR), gaat men uit van één vast minimumuurtarief van circa 38 euro per uur.
Daar ligt nu een alternatief naast. Initiatiefnemer is zzp’er en belangenbehartiger Wilmar Dik, die pleit voor meerdere tariefschijven per beroepsgroep. Zijn belangrijkste punt: één generieke ondergrens doet geen recht aan de grote verschillen tussen zelfstandigen.
Gelijke tarieven, ongelijke praktijk
Het huidige voorstel binnen de VBAR gebruikt één minimumuurtarief als onderdeel van het rechtsvermoeden. Wie onder dat tarief werkt, loopt sneller het risico als werknemer te worden aangemerkt. Dat klinkt overzichtelijk, maar de praktijk is divers. Niet iedere zelfstandige kan evenveel declarabele uren maken. In sommige beroepen blijft het steken rond 20 tot 22 facturabele uren per week. Andere professionals komen structureel boven de 30 uur uit.
Bij een gelijk minimumuurtarief, kan de jaaromzet van zelfstandigen met weinig declarabele uren daardoor onder druk komen te staan. Na aftrek van kosten, belastingen en reserveringen, blijft er soms minder over dan het minimumloon voor werknemers.
Het alternatief: tariefschijven per beroep
Het voorstel van Dik vervangt de vaste ondergrens door meerdere schijven. Beroepsgroepen worden op basis van het gemiddeld aantal declarabele uren per jaar ingedeeld. De tariefondergrens per schijf wordt berekend aan de hand van realistische aannames. Denk aan gemiddelde bedrijfskosten, fiscale verplichtingen en een inkomensnorm die aansluit bij het minimumloon.
Een onafhankelijke commissie zou de schijven periodiek moeten actualiseren. Zo kan het systeem meebewegen met inflatie en marktontwikkelingen. Volgens voorstanders sluit dit beter aan bij de economische realiteit van elk beroep.
Gevolgen voor het rechtsvermoeden
Het voorstel raakt direct aan de kern van de nieuwe zzp-wetgeving. De VBAR moet duidelijker maken wanneer iemand echt zelfstandig is en wanneer er sprake is van een dienstverband.
Een gedifferentieerd systeem maakt de toets minder generiek. In plaats van één harde grens ontstaat een sectorspecifieke beoordeling. Dat kan juridisch complexer zijn, maar mogelijk ook eerlijker. Zeker nu de Belastingdienst scherper handhaaft op schijnzelfstandigheid en opdrachtgevers behoefte hebben aan duidelijkheid.
Wat betekent dit financieel?
Voor veel zzp’ers draait het om de rekensom. Het verschil tussen 21 en 30 declarabele uren per week is op jaarbasis groot.
Bij 21 uren per week en 46 werkweken kom je uit op 966 declarabele uren. Tegen 38 euro per uur is dat circa 36.700 euro omzet.
Na aftrek van bedrijfskosten, verzekeringen en belasting blijft daarvan een beperkt netto-inkomen over.
Met een schijvenmodel zou het minimumtarief voor beroepen met weinig declarabele uren hoger kunnen liggen. Dat vergroot de kans op een realistischer inkomensbasis. Of het voorstel wordt overgenomen, hangt af van politieke keuzes in de verdere uitwerking van de VBAR.
0 reacties