Minder somber beeld dan weergegeven
Het pensioen van zzp’ers ligt al jaren onder een vergrootglas. Beleidsmakers en toezichthouders waarschuwen geregeld voor een groeiende groep zelfstandigen die onvoldoende spaart voor later. Toch laat recent onderzoek onder ruim 1.200 zzp’ers zien dat dit beeld genuanceerder ligt.
De meerderheid van de zelfstandigen beschikt namelijk over meerdere bronnen van inkomen voor de oude dag. Slechts een kleine minderheid, zo’n 6 procent, geeft aan volledig afhankelijk van alleen de AOW (Algemene Ouderdomswet) te zijn. Dat betekent dat het merendeel wel degelijk actief bezig is met het opbouwen van financiële buffers.
Tegelijkertijd blijft de discussie over verplichte pensioenopbouw actueel. Waar de ene groep pleit voor meer zekerheid via collectieve regelingen, ziet een andere groep dit juist als een ongewenste inperking van de ondernemingsvrijheid.
Pensioenopbouw vaak breder dan gedacht
Zzp’ers bouwen hun pensioen doorgaans minder gestructureerd op dan werknemers, maar compenseren dat met een breder palet aan bronnen. De belangrijkste pijlers zijn spaargeld en beleggingen, aangevuld met pensioenrechten uit eerdere loondienst.
Die opgebouwde rechten blijken aanzienlijk. Veel zelfstandigen starten pas rond hun veertigste als ondernemer, waardoor zij vaak al vijftien jaar of langer pensioen opbouwden als werknemer. Vooral in de hogere inkomensgroepen kan dit een stevige basis vormen.
Daarnaast spelen de eigen woning en derde-pijlerproducten zoals lijfrentes een rol. Derde-pijlerproducten worden wel minder gebruikt. Volgens cijfers van het CBS, spaart slechts een klein deel van de zzp’ers structureel via dergelijke producten.
Ook minder traditionele bronnen komen regelmatig terug, zoals het pensioen van een partner of een verwachte erfenis. Dit onderstreept hoe divers, maar ook versnipperd, de pensioenstrategie van zelfstandigen is.
Grote verschillen tussen groepen zzp’ers
Achter het gemiddelde beeld schuilt echter een duidelijke tweedeling. Ongeveer 65 procent van de zzp’ers heeft een redelijk gespreide mix van pensioenbronnen. Deze groep combineert spaargeld, oude pensioenrechten en vaak aanvullende voorzieningen zoals een woning of lijfrente.
Daar tegenover staat een kwetsbaardere groep van circa 35 procent. Zij leunen vooral op spaargeld en eventueel wat pensioen uit loondienst, maar missen verdere spreiding. Dat maakt hen gevoeliger voor financiële tegenvallers en het risico dat hun vermogen onvoldoende meegroeit.
Deze verschillen vertalen zich ook in verwachtingen. Zzp’ers met een brede spreiding, zijn overwegend optimistisch: een ruime meerderheid verwacht een comfortabel pensioen. In de kwetsbare groep is dat beeld veel minder eenduidig en overheerst onzekerheid.
Alleenstaanden blijken bovendien vaker tot deze risicogroep te behoren, wat hun financiële positie extra fragiel maakt.
Doorwerken als ‘vijfde pijler’
Een belangrijk verschil met werknemers is dat zzp’ers na de AOW-leeftijd relatief eenvoudig kunnen blijven werken. Deze mogelijkheid fungeert in feite als een extra, vijfde pijler onder hun pensioen.
Uit het onderzoek blijkt dat AOW-gerechtigde zzp’ers gemiddeld nog 18 uur per week actief zijn. De inkomsten daaruit zijn meestal beperkt, maar vormen wel een aanvulling op het pensioeninkomen.
Opvallend is dat financiële noodzaak niet de belangrijkste drijfveer lijkt. Veruit de meeste doorwerkende zzp’ers geven aan dat plezier in het werk de hoofdreden is. Slechts een minderheid noemt geld als doorslaggevende factor.
We moeten dit beeld wel voorzichtig interpreteren. Wie onvoldoende pensioen heeft, zal immers vaker blijven werken en is daarmee oververtegenwoordigd in deze groep. Toch lijkt doorwerken voor veel zelfstandigen een bewuste keuze, geen verplichting.
Kwetsbaarheid bij tegenslag en lange levensduur
Hoewel het algemene beeld positief is, zijn er duidelijke risico’s. Vooral zzp’ers met een beperkte spreiding van inkomstenbronnen lopen gevaar. Zij zijn sterk afhankelijk van eigen spaargeld, dat niet automatisch bescherming tegen een lange levensduur biedt.
Daarnaast ontbreekt na de AOW-leeftijd een vangnet bij arbeidsongeschiktheid. Wie dan niet meer kan werken, valt terug op de AOW en eventueel eigen vermogen. Dat maakt gezondheid een cruciale factor in de financiële zekerheid van oudere zelfstandigen.
Een derde van de oudere zzp’ers kampt met een chronische aandoening of beperking, maar blijft toch actief. Dat dit mogelijk is, hangt samen met het feit dat het werk vaak minder fysiek zwaar is.
Rol van de AOW en debat over verplichtstelling
De AOW blijkt in de praktijk een stevige basis onder het pensioen van zzp’ers. In tegenstelling tot sommige andere landen is dit een vaste uitkering, onafhankelijk van aanvullend vermogen.
Dat maakt de Nederlandse situatie fundamenteel anders dan bijvoorbeeld in Scandinavië, waar verplichte pensioenopbouw voor zelfstandigen mede bedoeld is om druk op publieke voorzieningen te voorkomen.
De vraag blijft of extra verplichtingen in Nederland noodzakelijk zijn. Het huidige beeld suggereert dat veel zzp’ers hun pensioen redelijk op orde hebben, maar dat een aanzienlijke minderheid kwetsbaar blijft. Juist die groep vormt de kern van het beleidsvraagstuk.
0 reacties